They call me the wild rose (and other plants adopter)

Gele roos close

De gele rozelaar. Ik heb er voor de liefhebbers ook voor gezorgd dat mijn hoofd schaduw wierp op de foto.

Het begon zo’n 2 jaar geleden. Wij woonden toen nog in Deinze, naast een weide en een hoop huizen die in de nabije toekomst gelijk gingen gemaakt worden met de grond. In de lente zag ik dat in de aangrenzende tuin een gigantische shitload aan krokussen hun kopjes boven de grond staken. Het was zo schoon, maar ik kon alleen maar denken aan de dag dat ze dat niet meer gingen kunnen doen omdat er een laag beton over zou gegoten zijn en ik moest ingrijpen, dat spreekt voor zich. Het heeft ongetwijfeld van alles te maken met mijn onvermogen om te gaan met de eindigheid van het immer deinende leven, maar het was mij dan dus vooral om die krokussen te doen.

Dagenlang heb ik daar de illegale oversteek gemaakt met een schop en een emmer om zoveel mogelijk voorjaarsbloemen uit te stekken en ‘te redden van een gewisse dood’. Ik probeerde me te gedragen alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat ik daar in andermans -zij het wel verlaten- tuin 100 kleine putjes zat te graven, maar dacht eigenlijk elk moment ‘EI JUFFROUWKE, WAT PEIZEN WE DAT WE AAN HET DOEN ZIJN?!’ te horen. Andere voorbijgangers zouden dan invallen met ‘LOCK HER UP! LOCK HER UP!’ en ik zou nooit geen mails meer op onbeveiligde manier kunnen versturen!

Hoewel voorbijgangers soms nogal indringend keken, had ik geen last van dergelijke verbale aanvallen en hoe verder de dagen vorderden, hoe verder mijn reddingsperimeter zich begon uit te breiden. Het was dan ook een serieuze oppervlakte. “ZIJN DAT VIOOLTJES DAAR IN DE VERTE?” – “WILDE RIDDERSPOOR! HOEVEEL KEER ZIET GE DAT?! – “STAAT DAAR IN DE VOLGENDE TUIN EEN SUPEROUDE GELE ROZELAAR DIE DOOR EEN VERKAVELING AAN ZIJN EINDE ZAL KOMEN?” Aan die laatste heb ik mij werkelijk een halve hernia gehesen, maar die staat intussen wel in mijn tuin te bloeien terwijl zijn oude standplaats herschapen is in een bouwterrein, en ik schep daar zoveel voldoening uit!

Het bouwterrein waarvan sprake.

Het bouwterrein in Deinze.

En we zitten met een patroon. Op een to be-bouwterrein in Aadenourde heb ik onlangs nog wat petunia’s, een superklein hortensia’ken, astilbe, leeuwenbek, zegekruid, gele kattenstaart en guichelheil (suck on this, West-Vlamingen) getsjoept en in bloempotten gezet om later ergens in de tuin te planten. De helft van die planten kende ik voordien ook niet, maar die zotte specialisten van de Facebook-determinatiegroep konden er een naam op plakken en zo blijft een mens altijd bijleren natuurlijk.

Plantjes rock. Gratis plantjes nog meer! Red er eentje nu het nog kan! Zorg ervoor dat ik niet de enige ben met een rare hobby!

Ik heb een metselbij, en gij?

Het zijn hoogdagen voor de natuurliefhebber in mij, dat hoef ik u waarschijnlijk niet te vertellen.

Overal waar ik kijk, zie ik wel iets waar ik enthousiast van word en vervolgens moét delen met vrienden, collega’s of familie. In’t begin bekijken ze mij nog met een semi-nieuwsgierige blik, maar als ik zo rond de 36ste keer begin over de mereljongskes in de serre op mijn werk, doen ze zelfs geen moeite meer om hun desinteresse te verstoppen. Sommigen geeuwen.

Ik persoonlijk kan nooit genoeg krijgen van mereljongskes, en al zeker niet als ze in een serre opgroeien, maar kom, zo zit deze gékke meid nu eenmaal in elkaar.

Kìjk dan toch! HAVE YOU NO HEART? En weet ge wel wat voor acrobatische stunten ik heb uitgestoken om dit eens vredige nest te verstoren met mijn smartphone?

Mereljongskes donderdag 03 april.

Hoe ik mij heb moeten optrekken aan een soortement paal om ook vandààg mijn telefoon tot bij hun gretige kopjes te krijgen om zo hun evolutie te kunnen volgen?

Mereljongskes op 07 april.

Soit. Om mijn omgeving ietwat te ontlasten, heb ik dus besloten om hier maar mijn dinges te delen. Ik peis trouwens dat er al eentje dood is. Spijtig, hé?

Maar nu heb ik nog niets verteld over mijn metselbij! Ik heb er dus één! Ik zat zaterdag wat te schrijven op mijn koerke, toen ik opeens opmerkte dat er een soort hommel met een rost derrière constant in en uit een oud boorgat vloog, en af en toe hoorde ik ook een schrapend geluid.

“Dat is komiek!”, dacht ik en ik hield het schouwspel even in de gaten, maar na 10 minuten inquisitief kijken, had ik het zowat gehad en kuiste ik mijn schup af. Ook ik heb mijn limieten.

Zondagavond ging ik voor het donker werd nog eens kijken of de hommelachtige nog in de buurt hing en vent, je gelooft het nooit, maar het boorgat was dichtgemetst. Ik dacht even dat het een grapje van mijn Polish neighbours betrof -haha, you thought you had beehouse, but now you don’t!-, maar na het nodige opzoekingswerk, kwam ik te weten dat ik dus niet met een hommel, maar met een metselbij te maken had.

Een métselbij. Wie vindt dit uit?

Die leeft ten eerste niét in kolonies, maar legt gewoon een paar eitjes (wat mannetjes en vrouwtjes) die zich pas volgend jaar een weg door het dichtgemetste gaatje zullen vreten. En dan ook met elkander zullen paren. (en dan vragen ze zich af waarom de bij aan het uitsterven is)

David Attenborough zou er wellicht geen segment aan wijden, maar hier is alvast een afbeelding van het gaatje dat geen gaatje meer is.

Bijgat.

Vakwerk, toch?

Ik zou nog kunnen vertellen over platte kikkers en overgezette padden en hoe ik volgend jaar zelf een paddenoversteektocht wil organiseren. Of hoe toch één iemand blij is met de veelvuldige plukken kattenhaar die mijn huis dreigen te verschalken.

Mees plukt haar.

Maar ik ga het zo laten voor vandaag. ‘t Is goed geweest. ‘t Is goed geweest.

(Mijn excuses trouwens aan Polen die zich beledigd zouden voelen door het slechte Engels dat ik hen toebedeel. ‘t Is maar dat er echt heel veel haar op dat van mijn buren staat.) (TYPISCH!) (*duikt weg*) (ik lach hier dus mee, hé.) (please you don’t come to kill me tonight?)